Laan der liefde
Veilig en beschermd voelt
het onder een paraplu van bladeren.
Door het roodbruin gekleurde dak schijnen kleine lichtjes op onze gezichten,
Ze strelen onze ineengestrengelde handen en verwarmen onze aderen.
We zijn dronken en beneveld door de roes van liefde, en
de lichtjes dansen en springen voor ons uit om ons pad te belichten.
Je handen om mijn gezicht vormen een hart waarin lippen minnen.
Er vormde zich een hart in een knoestige oude beuk,
een liefdesruimte waarin insecten vrijen en elkaar vinden.
In diepe stilte kerven we onze namen in die oude beuk.
We horen een specht zijn roffel slaan.
Onder het suizend loof wandelen we voort.
Wij wensen, dat het leven hier en onze liefde eeuwig zal blijven voortbestaan.
Maar dan valt alles uiteen.
Het stort in als een kaarten huis,
of als een zandkasteel bij vloed,
of als een gammele stoel.
En dan komt de regen.
Mijn droom spat uiteen in de druppel die valt in de palm van mijn hand.